Kruidengeneeskunde: ontstaan en evolutie

Kruiden hebben reeds vroeg een helende werking in de menselijke samenleving. Men weet dat mensen in de oertijd reeds gebruik maakten van kruiden als medicijn. In het oude Egypte was de kennis i.v.m. kruiden vrij groot. Ondanks hun geloof in de goden, wisten de Egyptenaren welke kruiden ze als medicijn konden gebruiken. In Griekenland schreef Theophrastus in navolging van Hippocrates  ‘De historia platarum‘ waarin hij ongeveer een 500-tal planten beschrijft. In het Romeinse rijk schreef Aulus Cornelius Celsius een Grieks-Romeinse  arts ‘De medicina’ een werk over geneeskundige planten. Andere Romeinse artsen zoals Galenus bogen zich over het gebruik van kruiden in de geneeskunde.                                                                                                                         In de Middeleeuwen waren de monniken belast met de ziekenzorg. Elk klooster bezat een uitgebreide kruidentuin waar ook geneeskundige kruiden in voorkwamen.

De zoektocht naar andere verbindingswegen over zee bracht de ontdekkingsreizigers naar tot nog toe ongekende regionen waar ze in aanraking kwamen met kruiden en hun toepassing ervan. Dit leidde tot een drukke handel met het Oosten . Tegelijkertijd werd de kruidengeneeskunde echter minder belangrijk. Zij moest het veld ruimen voor de meer klassieke geneeskunde die toen aan de universiteiten werd onderwezen. Nochtans is er steeds een zekere belangstelling voor de kruiden blijven bestaan. Sommige van deze kruiden bevatten immers bestanddelen die in de huidige medicatie terug te vinden zijn.

Reizen door de eeuwen heen

Reizen is niet alleen van deze tijd, ook in vroegere tijden werd er – zij het om verschillende redenen – wat afgereisd.

In  teksten vimages (1)an de 18e eeuw vindt men aanvragen voor paspoorten. De bestemming varieert naargelang de redenen van de reis.  Pelgrims trokken naar een of andere heilige plaats, niet noodzakelijk het Heilig Land. Zij volgden bepaalde routes die van abdij tot abdij liepen waar ze onderdak en eten kregen.

 

Het vervoer ging te voet, te paard, per diligence of privékoets. De kast van de koets werd door leren riemen opgehangen. Deze riemen dienden voor de vering van de koets zodat de reizigers minder dooreengeschud werden dan bij het reizen met een boerenkar. Deze tochten vergden heel wat tijd en onderweg was de veiligheid van de reizigers niet gegarandeerd.

 

 

 

Veiligheid in de 18e eeuw

Vroeger was veiligheid voor onze voorouders niet altijd evident. In tijden van oorlog – toen nog langdurig en vrij frequent – maakten de heen en weer trekkende  legers de streken onveilg. Plundering en brandstichting waren geen zeldzaamheid. De op het platte land gelegen boerderijen waren gemakkelijke prooien. Bovendien waren de oogsten rond 1740-1750 rampzalig waardoor velen in de armoede terecht kwamen. Voor de allerarmsten waren deze misoogsten en verhoging van de graanprijzen een reele bedreiging. Het verschil tussen leven en overleven was uiterst klein.

Er vormden zich benden van landlopers en vagebonden die niets meer te verliezen hadden. Ze bestonden meestal uit een vaste kern van zware jongens, dieven, inbrekers. Rond die vaste kern hingen nog verschillende marginale figuren, zowel vrouwen als mannen. Elke streek had zijn eigen bende. In de streek rond Zottegem opereerde de bende van Jan De Lichte. Deze laatste was afkomstig van Velzeke en kwam uit een gezin dat reeds geruime tijd in armoede leefde. Op zijn 17e begint hij aan zijn “carrière” van inbreker en geweldpleger. Boerderijen en winkels waren hun voornaamste doelwitten. De buit was meestal kleding en voeding.Wat ze niet konden gebruiken verkochten ze aan helers. Rond Zottegem waren nog andere groepen actief. Al deze groepen wisselden regelmatig onderling van leden naar gelang het hun best uitkwam. De loopbaan van Jan De Lichte eindigt op 13 november 1748 als hij op 25jarige leeftijd op de Grote Markt van Aalst wordt geradbraakt.

De Aalsterse schrijver Louis Paul Boon, inspireerde zich op het leven van Jan de Lichte, en wijdde er een boek aan.

Andere regio’ s in Vlaanderen en Wallonië kenden hun benden. Denk maar aan de Bokkenrijders in Limburg en Luik. Later zal de bende van Bakelandt – die we kennen uit de strips – in de 19e eeuw West-Vlaanderen onveilig maken. Deze bende werd in Brugge op 2 november 1803 terecht gesteld.

Van lijne ende wulle

Of hoe kleedden onze voorouders zich? Hier moet men een onderscheidtussen rijk en arm maken. De prijs van nieuwe kleding was duur. Het was dan ook de gewoonte om deze te verkopen of aan een familielid door te geven. Niet zelden kwamen bij het overlijden van de moeder de kledij toe aan de dochters. Deze kledij werd getaxeerd en verrekend met de andere roerende goederen.

De mode verschilde van land tot land onder invloed van het hof. Wat de koning en zijn gevolg droeg, werd door de gegoede burgerij overgenoemen. Door de duurte van de kledij ontstonden tweedehandswinkels. Zo kon een kledingstuk verschillende malen doorverkocht worden tot het uiteindelijk versleten en goed genoeg voor de bedelaars was. Gezien de grote uitgaven voor voedsel, was kledij een post waarop bespaard werd in tijden van schaarste. Ook schoeisel was duur. In de 15e eeuw droeg de adel vooral puntschoenen. Deze punten konden tot 60 cm lang zijn! Het was samen met hun lange kledij in dure stoffen en bont een teken van hun status. Het ging zelfs zover dat er reglementen betreffende kledij en schoeisel uitgevaardigd werden. Joden dienden een punthoed te dragen, armen droegen op hun gekregen kledij soms het wapenschildje van de stad waar ze woonden. In de 16e eeuw werden de puntschoenen vervangen door schoenen met brede stompe punten. Meestal had de schoen een lederen zool, maar riet of hout kwam ook voor. Ook daarin toonde de drager zijn status. De vrouwenmode gaat van smal in de middeleeuwen naar zeer wijde hoepelrokken om dan eind 18e eeuw weer te versmallen. De volksvrouw draagt een blouse met wijde hals, verschillende rokken boven elkaar een schort en op het hoofd een gedrapeerde doek. In België volgde men niet altijd de laatste mode. Lange gekrulde pruiken zoals in Frankrijk onder Lodewijk XIV kregen bij ons weing bijval.

Van aet ende dranck

Wat aten en dronken onze voorouders?

Van de adel en de rijke patriciërs weten we dat ze aan soms overdadige banketten deelnamen. Ze aten wit brood en  regelmatig vlees en vis. Ook boter en kaas, die van het platteland regelmatig aangevoerd werden, behoorden tot de voedinsmiddelen van de rijken. Wijn was enkel voor de welgestelden.

Maar wat aten de arbeiders en armen? Het hoofdbestanddeel van de voeding bestond uit grof tarwe- of roggebrood. De mensen waren erg afhankelijk van de graanoogsten. Bij misoogsten dreigden ondervoeding, ziekte en dood. Vlees was een luxe en wanneer het op tafel kwam was het vaak van inferieure kwaliteit. Groenten stonden vaker op het menu. In de steden at men voornamelijk peulvruchten omdat deze relatief goedkoop waren en gemakkelijk te bewaren. Op het platteland at men buiten peulvruchten ook nog rapen, uien en verschillende koolsoorten.

Men had de neiging om voedsel bijeen te sparen om bij feesten alles op te eten. Het tafereel van Breughel op de boerenbruiloft is zeker geen alledaags gebeuren.

Vanaf de 18e eeuw doet de aardappel zijn intrede in de voeding. Deze verminderde de afhankelijkheid van de graanprijzen. De boer kon  nu  andere gewassen zoals vlas, hop en tabak telen om deze dan te gelde te maken. De aardappelplant was reeds in 1565 gekend maar werd toen enkel als sierplant gebruikt. Het zou nog 200 duren vooraleer de aardappel gans Vlaanderen had veroverd. Door hun aanvoer van vitamines en mineralen verbeterde de voeding aanzienlijk. De aardappel werd heel aantrekkelijk: de plant groeide overal, was tiendevrij en daarnaast verbeterde de financiële situatie van de plattelandsbevolking enigsinds. Aardappelen werden op allerhande manieren verwerkt: gepoft, gekookt, met azijnsaus enz.. Weer werd men afhankelijk van een voedingsmiddel… In 1845 sloeg de aardappelziekte toe gevolgd door een jaar van misoogst en nog een jaar  met aardappelziekte. Dit had voor vele mensen grote gevolgen: ze werden in armoede gedreven. Daar kwam nog bij dat de industriële revolutie het werk van de thuiswevers overbodig maakte.

Als drank was bier vrij populair. Het was aangeraden bier te drinken i.p.v. water, het water in de steden  werd niet gekookt. Het  was een broeihaard van infectieziekten zoals tyfus, cholera enz. Het bier van toen verschilde duidelijk van ons huidige bier. In de middeleeuwen voegde men “gruit” toe in plaats van hop. Het diende als smaakmaker en bewaarmiddel. Gruit was een samenstelling van kruiden met hoofdbestanddeel de gagelplant. Daarnaast stelde elke brouwer zijn eigen recept van kruiden samen zoals:salie, rozemarijn, duizendblad,koriander en andere kruiden. Wijn werd enkel door de rijken gedronken. Koffie maakte in de 17e eeuw zijn intrede in Europa. Het was toen nog een drank voor de rijken. In de 18e eeuw werd koffie steeds populairder. Men mag aannemen dat de arbeider zijn koffie sterk verdunde omwille van de prijs.