Van lijne ende wulle

Of hoe kleedden onze voorouders zich? Hier moet men een onderscheidtussen rijk en arm maken. De prijs van nieuwe kleding was duur. Het was dan ook de gewoonte om deze te verkopen of aan een familielid door te geven. Niet zelden kwamen bij het overlijden van de moeder de kledij toe aan de dochters. Deze kledij werd getaxeerd en verrekend met de andere roerende goederen.

De mode verschilde van land tot land onder invloed van het hof. Wat de koning en zijn gevolg droeg, werd door de gegoede burgerij overgenoemen. Door de duurte van de kledij ontstonden tweedehandswinkels. Zo kon een kledingstuk verschillende malen doorverkocht worden tot het uiteindelijk versleten en goed genoeg voor de bedelaars was. Gezien de grote uitgaven voor voedsel, was kledij een post waarop bespaard werd in tijden van schaarste. Ook schoeisel was duur. In de 15e eeuw droeg de adel vooral puntschoenen. Deze punten konden tot 60 cm lang zijn! Het was samen met hun lange kledij in dure stoffen en bont een teken van hun status. Het ging zelfs zover dat er reglementen betreffende kledij en schoeisel uitgevaardigd werden. Joden dienden een punthoed te dragen, armen droegen op hun gekregen kledij soms het wapenschildje van de stad waar ze woonden. In de 16e eeuw werden de puntschoenen vervangen door schoenen met brede stompe punten. Meestal had de schoen een lederen zool, maar riet of hout kwam ook voor. Ook daarin toonde de drager zijn status. De vrouwenmode gaat van smal in de middeleeuwen naar zeer wijde hoepelrokken om dan eind 18e eeuw weer te versmallen. De volksvrouw draagt een blouse met wijde hals, verschillende rokken boven elkaar een schort en op het hoofd een gedrapeerde doek. In België volgde men niet altijd de laatste mode. Lange gekrulde pruiken zoals in Frankrijk onder Lodewijk XIV kregen bij ons weing bijval.

Van aet ende dranck

Wat aten en dronken onze voorouders?

Van de adel en de rijke patriciërs weten we dat ze aan soms overdadige banketten deelnamen. Ze aten wit brood en  regelmatig vlees en vis. Ook boter en kaas, die van het platteland regelmatig aangevoerd werden, behoorden tot de voedinsmiddelen van de rijken. Wijn was enkel voor de welgestelden.

Maar wat aten de arbeiders en armen? Het hoofdbestanddeel van de voeding bestond uit grof tarwe- of roggebrood. De mensen waren erg afhankelijk van de graanoogsten. Bij misoogsten dreigden ondervoeding, ziekte en dood. Vlees was een luxe en wanneer het op tafel kwam was het vaak van inferieure kwaliteit. Groenten stonden vaker op het menu. In de steden at men voornamelijk peulvruchten omdat deze relatief goedkoop waren en gemakkelijk te bewaren. Op het platteland at men buiten peulvruchten ook nog rapen, uien en verschillende koolsoorten.

Men had de neiging om voedsel bijeen te sparen om bij feesten alles op te eten. Het tafereel van Breughel op de boerenbruiloft is zeker geen alledaags gebeuren.

Vanaf de 18e eeuw doet de aardappel zijn intrede in de voeding. Deze verminderde de afhankelijkheid van de graanprijzen. De boer kon  nu  andere gewassen zoals vlas, hop en tabak telen om deze dan te gelde te maken. De aardappelplant was reeds in 1565 gekend maar werd toen enkel als sierplant gebruikt. Het zou nog 200 duren vooraleer de aardappel gans Vlaanderen had veroverd. Door hun aanvoer van vitamines en mineralen verbeterde de voeding aanzienlijk. De aardappel werd heel aantrekkelijk: de plant groeide overal, was tiendevrij en daarnaast verbeterde de financiële situatie van de plattelandsbevolking enigsinds. Aardappelen werden op allerhande manieren verwerkt: gepoft, gekookt, met azijnsaus enz.. Weer werd men afhankelijk van een voedingsmiddel… In 1845 sloeg de aardappelziekte toe gevolgd door een jaar van misoogst en nog een jaar  met aardappelziekte. Dit had voor vele mensen grote gevolgen: ze werden in armoede gedreven. Daar kwam nog bij dat de industriële revolutie het werk van de thuiswevers overbodig maakte.

Als drank was bier vrij populair. Het was aangeraden bier te drinken i.p.v. water, het water in de steden  werd niet gekookt. Het  was een broeihaard van infectieziekten zoals tyfus, cholera enz. Het bier van toen verschilde duidelijk van ons huidige bier. In de middeleeuwen voegde men “gruit” toe in plaats van hop. Het diende als smaakmaker en bewaarmiddel. Gruit was een samenstelling van kruiden met hoofdbestanddeel de gagelplant. Daarnaast stelde elke brouwer zijn eigen recept van kruiden samen zoals:salie, rozemarijn, duizendblad,koriander en andere kruiden. Wijn werd enkel door de rijken gedronken. Koffie maakte in de 17e eeuw zijn intrede in Europa. Het was toen nog een drank voor de rijken. In de 18e eeuw werd koffie steeds populairder. Men mag aannemen dat de arbeider zijn koffie sterk verdunde omwille van de prijs.