Kruidengeneeskunde: ontstaan en evolutie

Kruiden hebben reeds vroeg een helende werking in de menselijke samenleving. Men weet dat mensen in de oertijd reeds gebruik maakten van kruiden als medicijn. In het oude Egypte was de kennis i.v.m. kruiden vrij groot. Ondanks hun geloof in de goden, wisten de Egyptenaren welke kruiden ze als medicijn konden gebruiken. In Griekenland schreef Theophrastus in navolging van Hippocrates  ‘De historia platarum‘ waarin hij ongeveer een 500-tal planten beschrijft. In het Romeinse rijk schreef Aulus Cornelius Celsius een Grieks-Romeinse  arts ‘De medicina’ een werk over geneeskundige planten. Andere Romeinse artsen zoals Galenus bogen zich over het gebruik van kruiden in de geneeskunde.                                                                                                                         In de Middeleeuwen waren de monniken belast met de ziekenzorg. Elk klooster bezat een uitgebreide kruidentuin waar ook geneeskundige kruiden in voorkwamen.

De zoektocht naar andere verbindingswegen over zee bracht de ontdekkingsreizigers naar tot nog toe ongekende regionen waar ze in aanraking kwamen met kruiden en hun toepassing ervan. Dit leidde tot een drukke handel met het Oosten . Tegelijkertijd werd de kruidengeneeskunde echter minder belangrijk. Zij moest het veld ruimen voor de meer klassieke geneeskunde die toen aan de universiteiten werd onderwezen. Nochtans is er steeds een zekere belangstelling voor de kruiden blijven bestaan. Sommige van deze kruiden bevatten immers bestanddelen die in de huidige medicatie terug te vinden zijn.