Veiligheid in de 18e eeuw

Vroeger was veiligheid voor onze voorouders niet altijd evident. In tijden van oorlog – toen nog langdurig en vrij frequent – maakten de heen en weer trekkende  legers de streken onveilg. Plundering en brandstichting waren geen zeldzaamheid. De op het platte land gelegen boerderijen waren gemakkelijke prooien. Bovendien waren de oogsten rond 1740-1750 rampzalig waardoor velen in de armoede terecht kwamen. Voor de allerarmsten waren deze misoogsten en verhoging van de graanprijzen een reele bedreiging. Het verschil tussen leven en overleven was uiterst klein.

Er vormden zich benden van landlopers en vagebonden die niets meer te verliezen hadden. Ze bestonden meestal uit een vaste kern van zware jongens, dieven, inbrekers. Rond die vaste kern hingen nog verschillende marginale figuren, zowel vrouwen als mannen. Elke streek had zijn eigen bende. In de streek rond Zottegem opereerde de bende van Jan De Lichte. Deze laatste was afkomstig van Velzeke en kwam uit een gezin dat reeds geruime tijd in armoede leefde. Op zijn 17e begint hij aan zijn “carrière” van inbreker en geweldpleger. Boerderijen en winkels waren hun voornaamste doelwitten. De buit was meestal kleding en voeding.Wat ze niet konden gebruiken verkochten ze aan helers. Rond Zottegem waren nog andere groepen actief. Al deze groepen wisselden regelmatig onderling van leden naar gelang het hun best uitkwam. De loopbaan van Jan De Lichte eindigt op 13 november 1748 als hij op 25jarige leeftijd op de Grote Markt van Aalst wordt geradbraakt.

De Aalsterse schrijver Louis Paul Boon, inspireerde zich op het leven van Jan de Lichte, en wijdde er een boek aan.

Andere regio’ s in Vlaanderen en Wallonië kenden hun benden. Denk maar aan de Bokkenrijders in Limburg en Luik. Later zal de bende van Bakelandt – die we kennen uit de strips – in de 19e eeuw West-Vlaanderen onveilig maken. Deze bende werd in Brugge op 2 november 1803 terecht gesteld.